Zeg 'kassei' en de gemiddelde Vlaming denkt aan een woord dat met dezelfde letter begint: koers. Als ik over kasseien hoor praten, zie ik meteen de hellingen van de Vlaamse Ardennen voor me. De Koppenberg en de Paterberg, die ik tijdens de Ronde van Vlaanderen voor wielertoeristen zelf beklom, leren je wat écht afzien betekent. Bij 'kassei' past ook het heerlijke woord 'dokkeren'. Vorige zondag zagen we de helden der hellingen dokkeren dat het een lieve lust was. Overmorgen, tijdens Parijs-Roubaix, zal dat nog meer het geval zijn. Wanneer commentatoren het over de hel van het Noorden hebben, dan verwijzen ze vooral naar de vele kasseistroken van deze koers. Ik kan amper wachten om de renners over de stoffige stroken te zien vlammen. Michel Wuyts bedacht het woord 'windklievers', maar kasseiklievers is net zo mooi.

Ook Tielt heeft zijn kasseien. Er is de Neringenstraat tussen Aarsele en Kanegem, die ik de mooiste weg van Groot-Tielt vind. Toen ik in 2014 trainde voor de Ronde reed ik vaak een keer of tien de Neringenstraat op en af, kwestie van te wennen aan het dokkeren over kasseien.

In Tielt-Centrum ligt onze belangrijkste winkelstraat, de Kortrijkstraat, er ook zonder kasseien zó slecht bij dat je op dat wegdek gerust voor Parijs-Roubaix kunt trainen. Maar ik wil het over echte kasseien hebben: de beschermde kasseien van de Patersdreef, die ik dan weer de charmantste weg in het centrum van Tielt vind. Dat ik net twee kasseiwegen de mooiste vind, zal wel geen toeval zijn. Kasseien doen denken aan een landelijk Vlaanderen dat niet meer is, waar boeren met klompen over de wegen liepen en het leven nog rustig was. Kasseien zijn nostalgie. Kasseien zijn het verleden en dat mag je nooit uitwissen. Alles verandert, maar daarom moeten we, waar dan ook, onze kasseiwegen intact houden.